Quizkennis.nl

taal · 120 begrippen

Taalkunde: 120 begrippen met betekenis

Gecontroleerd en goedgekeurd door de redactie van QuizKennis.

🧠 Leren, stampen en quizzen →

Volledige leerlijst

#Taalkundig begripBetekenis
1AcroniemEen afkorting van beginletters die als één woord wordt uitgesproken, zoals NAVO.
2AcrostichonEen gedicht of tekst waarbij de beginletters van opeenvolgende regels samen een woord of naam vormen.
3AfkortingEen verkorte schrijfwijze van een woord of woordgroep, zoals 'bijv.' voor 'bijvoorbeeld'.
4AfleidingEen nieuw woord gevormd door een voorvoegsel of achtervoegsel toe te voegen, zoals 'onvriendelijk'.
5AllegorieEen verhaal of voorstelling waarin personen en gebeurtenissen ook een diepere, symbolische betekenis hebben.
6AlliteratieHerhaling van dezelfde beginmedeklinker in opeenvolgende of nabije woorden, zoals 'frisse fruitige frisdrank'.
7AmbiguïteitDubbelzinnigheid: een woord, zin of uiting kan op meer dan één manier worden begrepen.
8AnafoorHerhaling van hetzelfde woord of dezelfde woordgroep aan het begin van opeenvolgende zinnen of zinsdelen.
9AnagramEen woord of woordgroep gemaakt door de letters van een ander woord of woordgroep te herschikken.
10AnakoloetEen zin die grammaticaal anders wordt voortgezet dan de aanvankelijke zinsbouw doet verwachten.
11AnglicismeEen uit het Engels overgenomen woord, uitdrukking of constructie die als typisch Engelse invloed wordt herkend.
12AnticlimaxEen opbouw naar iets belangrijks die onverwacht eindigt met iets onbeduidends.
13AntitheseEen stijlfiguur waarin tegengestelde begrippen of gedachten tegenover elkaar worden geplaatst.
14AntoniemEen woord met een tegengestelde betekenis, zoals 'warm' tegenover 'koud'.
15ApostrofeEen directe aanspreking in een tekst van iemand of iets dat niet als gewone gesprekspartner aanwezig is.
16AptoniemEen persoonsnaam die opvallend goed past bij iemands beroep of eigenschappen.
17ArchaïsmeEen verouderd woord of verouderde taalvorm die nog herkenbaar is of bewust wordt gebruikt.
18AssonantieHerhaling van dezelfde of gelijkende klinkerklanken in woorden die dicht bij elkaar staan.
19AsyndetonEen opsomming van woorden of zinsdelen zonder voegwoorden ertussen.
20BackroniemEen achteraf bedachte volledige woordgroep die bij de letters van een bestaand woord of afkorting past.
21BarbarismeEen woord of constructie die naar het voorbeeld van een andere taal is gevormd en in de standaardtaal als afwijkend geldt.
22BastaardwoordEen overgenomen woord dat in spelling of uitspraak aan het Nederlands is aangepast.
23BetekenisverbredingEen taalverandering waarbij een woord voor meer zaken gaat worden gebruikt dan vroeger.
24BetekenisverengingEen taalverandering waarbij de betekenis van een woord tot een kleiner toepassingsgebied wordt beperkt.
25BinnenrijmRijm tussen woorden binnen dezelfde dichtregel of zin.
26ChiasmeEen kruisstelling waarbij woorden of begrippen in omgekeerde volgorde terugkeren: AB-BA.
27ClimaxEen reeks met een steeds sterkere betekenis of intensiteit.
28CongruentieHet grammaticaal overeenstemmen van woorden, bijvoorbeeld onderwerp en persoonsvorm in getal.
29ConnotatieDe gevoelswaarde of associatie die een woord naast zijn letterlijke betekenis oproept.
30ContaminatieEen vermenging van twee woorden of uitdrukkingen tot een nieuwe, vaak als fout beoordeelde vorm.
31CynismeEen spottende, vaak wantrouwige houding of uiting die oprechtheid en goede bedoelingen in twijfel trekt.
32DenotatieDe neutrale, rechtstreeks aangeduide betekenis of referentie van een woord, zonder gevoelswaarde.
33DialectismeEen woord of taalvorm die kenmerkend is voor een bepaald dialect.
34DiminutiefEen verkleinwoord, zoals 'tafeltje' bij 'tafel'.
35DysfemismeEen opzettelijk grovere of ongunstigere omschrijving van iets dat neutraler gezegd kan worden.
36EllipsHet weglaten van zinsdelen die uit de context kunnen worden aangevuld.
37EnjambementHet doorlopen van een zin over het einde van een versregel heen, zonder natuurlijke pauze op die regelgrens.
38EpifoorHerhaling van hetzelfde woord of dezelfde woordgroep aan het einde van opeenvolgende zinnen of zinsdelen.
39EponiemEen woord dat is afgeleid van de naam van een persoon, zoals 'diesel' van Rudolf Diesel.
40EtymologieDe studie van de oorsprong en de historische ontwikkeling van woorden.
41EufemismeEen verzachtende omschrijving voor iets dat gevoelig, onaangenaam of taboe kan zijn.
42Figuurlijk taalgebruikWoorden gebruiken in een overgedragen, niet-letterlijke betekenis.
43FlexieHet veranderen van een woordvorm om grammaticale informatie uit te drukken, zoals tijd, getal of persoon.
44FoneemDe kleinste klankeenheid die in een taal betekenisverschil tussen woorden kan veroorzaken.
45FonetiekDe wetenschap die onderzoekt hoe spraakklanken worden gevormd, overgebracht en waargenomen.
46FonologieDe studie van hoe spraakklanken functioneren en geordend zijn binnen een taalsysteem.
47GallicismeEen uitdrukking of constructie die onder invloed van het Frans is ontstaan en als typisch Franse invloed wordt herkend.
48GeoniemEen soortnaam die is afgeleid van een geografische naam, zoals 'champagne' van Champagne.
49GermanismeEen woord of constructie die onder invloed van het Duits is gevormd en als typisch Duitse invloed wordt herkend.
50HendiadysEen uitdrukking waarin twee met 'en' verbonden woorden samen één begrip aanduiden.
51HomofoonEen woord dat hetzelfde klinkt als een ander woord, maar een andere betekenis heeft, zoals 'rauw' en 'rouw'.
52HomograafEen woord dat hetzelfde wordt geschreven als een ander woord, maar een andere betekenis heeft.
53HomoniemEen woord dat dezelfde vorm heeft als een ander woord, maar een andere betekenis heeft, zoals 'bank' als zitmeubel of geldinstelling.
54HyperboolEen sterke, opzettelijke overdrijving om nadruk of effect te bereiken.
55HypercorrectieEen onjuiste taalvorm die ontstaat doordat iemand een vermeende taalregel te streng toepast.
56HyperoniemEen overkoepelend begrip waaronder specifiekere woorden vallen, zoals 'dier' boven 'hond'.
57HyponiemEen specifieker woord dat onder een algemener begrip valt, zoals 'hond' onder 'dier'.
58IdiolectDe persoonlijke manier van spreken of schrijven van één individu.
59InitiaalwoordEen afkorting die letter voor letter wordt uitgesproken, zoals 'sms'.
60InversieEen verandering van de gebruikelijke woordvolgorde, bijvoorbeeld wanneer de persoonsvorm vóór het onderwerp staat.
61IronieIets zeggen waarbij de bedoelde boodschap afwijkt van, vaak tegengesteld is aan, de letterlijke woorden.
62IsogramEen woord of zin waarin elke letter maximaal één keer voorkomt.
63JargonWoorden en uitdrukkingen die vooral binnen een bepaald beroep of vakgebied worden gebruikt.
64KakofonieEen opzettelijk of onopzettelijk ruw, onwelluidend samenspel van klanken.
65KlankrijmOvereenkomst tussen klanken van woorden, niet noodzakelijk tussen hun spellingen.
66KlemtoonHet extra accent waarmee een lettergreep of woord wordt uitgesproken.
67LeenvertalingEen woord dat is gevormd door de delen van een buitenlands woord letterlijk te vertalen.
68LeenwoordEen woord dat een taal heeft overgenomen uit een andere taal.
69LemmaEen trefwoord in een woordenboek of encyclopedie, met de informatie die erbij hoort.
70LetterwoordEen afkorting van beginletters die als een gewoon woord wordt uitgesproken, zoals 'havo'.
71LexeemEen abstracte woordeenheid die verschillende verbogen vormen van hetzelfde woord omvat.
72LexicografieHet samenstellen en beschrijven van woordenboeken.
73LexicologieDe wetenschappelijke studie van de woordenschat van een taal.
74LipogramEen tekst waarin één of meer vooraf gekozen letters bewust niet voorkomen.
75LitotesEen vorm van understatement waarbij iets door ontkenning van het tegendeel wordt uitgedrukt, zoals 'niet slecht'.
76MalapropismeHet abusievelijk gebruiken van een verkeerd, vaak erop lijkend woord met een komisch of vreemd effect.
77MetafoorBeeldspraak waarbij iets direct als iets anders wordt voorgesteld, zonder expliciet vergelijkingswoord.
78MetonymieBeeldspraak waarbij de naam van iets wordt vervangen door die van iets waarmee het nauw samenhangt.
79MorfeemDe kleinste taaleenheid met een eigen betekenis of grammaticale functie.
80MorfologieDe studie van de opbouw, vorming en verbuiging van woorden.
81NeologismeEen nieuw gevormd of recent in gebruik gekomen woord of nieuwe woordbetekenis.
82OnomastiekDe taalkundige studie van eigennamen, zoals persoonsnamen en plaatsnamen.
83OnomatopeeEen woord dat een geluid nabootst, zoals 'koekoek' of 'boem'.
84OxymoronEen combinatie van twee begrippen die elkaar op het eerste gezicht tegenspreken, zoals 'oorverdovende stilte'.
85PalindroomEen woord of letterreeks die van achter naar voren hetzelfde leest als van voren naar achteren.
86PangramEen zin waarin alle letters van het alfabet minstens één keer voorkomen.
87ParadoxEen schijnbaar tegenstrijdige uitspraak die bij nader inzien toch een betekenisvolle waarheid kan bevatten.
88ParafraseHet in andere woorden weergeven van een bestaande uitspraak of tekst met behoud van de inhoud.
89ParallellismeHet herhalen van een vergelijkbare zinsbouw in opeenvolgende zinnen of zinsdelen.
90ParodieEen nabootsing van de stijl of vorm van iets bestaands om er een humoristisch of kritisch effect mee te bereiken.
91ParonomasieEen woordspeling met woorden die sterk op elkaar lijken in klank, maar iets verschillends betekenen.
92Pars pro totoBeeldspraak waarbij een deel wordt genoemd om het geheel aan te duiden, zoals 'een paar extra handen'.
93PersonificatieBeeldspraak waarbij iets niet-menselijks menselijke eigenschappen of handelingen krijgt.
94PleonasmeEen combinatie waarin een al aanwezige eigenschap nog eens wordt benoemd, zoals 'witte sneeuw'.
95PolysemieHet verschijnsel dat één woord meerdere onderling samenhangende betekenissen heeft.
96PolysyndetonHet nadrukkelijk herhalen van voegwoorden in een opsomming, bijvoorbeeld 'en dit en dat en nog iets'.
97Porte-manteauwoordEen nieuw woord gemaakt door delen van twee bestaande woorden samen te voegen, zoals 'brunch'.
98PragmatiekDe studie van hoe taalgebruik in een concrete situatie betekenis krijgt en doelen dient.
99PrefixEen voorvoegsel dat voor een woord of stam wordt geplaatst, zoals 'on-' in 'onzeker'.
100Retorische vraagEen vraag die vooral bedoeld is om nadruk te leggen en niet om een echt antwoord te krijgen.
101RijmHet overeenkomen van klanken van woorden, vaak aan het einde van versregels.
102SamenstellingEen woord dat is gevormd door twee of meer bestaande woorden of stammen te combineren, zoals 'boekenkast'.
103SamentrekkingHet weglaten van een woorddeel of zinsdeel dat uit een naburig zinsdeel kan worden aangevuld.
104SarcasmeScherpe, bijtende spot waarmee iemand of iets wordt bespot of bekritiseerd.
105SatireEen humoristische of spottende uiting waarmee misstanden en menselijke tekortkomingen worden bekritiseerd.
106SemantiekDe studie van betekenis in taal, bijvoorbeeld van woorden, zinnen en uitingen.
107SociolectEen taalvariant die samenhangt met een bepaalde sociale groep.
108SuffixEen achtervoegsel dat achter een woord of stam wordt geplaatst, zoals '-heid' in 'vrijheid'.
109SyllabeEen lettergreep: een uitspraakdeel van een woord dat rond één klankkern is opgebouwd.
110SynesthesieBeeldspraak waarbij indrukken van verschillende zintuigen worden vermengd, zoals 'een warme kleur'.
111SynoniemEen woord met dezelfde of nagenoeg dezelfde betekenis als een ander woord.
112SyntaxisDe studie van hoe woorden tot woordgroepen en zinnen worden gecombineerd.
113TaalregisterEen manier van taalgebruik die past bij een bepaalde situatie, doelgroep of mate van formaliteit.
114TautogramEen zin of tekst waarin opeenvolgende woorden met dezelfde beginletter beginnen.
115TautologieEen combinatie van woorden die ongeveer hetzelfde betekenen, zoals 'enkel en alleen'.
116Totum pro parteBeeldspraak waarbij het geheel wordt genoemd om slechts een deel aan te duiden, zoals 'Nederland won' voor een team.
117UnderstatementEen bewuste afzwakking waarbij iets kleiner of minder indrukwekkend wordt voorgesteld dan het is.
118VergelijkingBeeldspraak die een overeenkomst expliciet maakt, bijvoorbeeld met 'als' of 'zoals'.
119WoordspelingEen grappig of opvallend effect dat ontstaat door te spelen met klank, vorm of dubbele betekenis van woorden.
120ZeugmaEen constructie waarin één woord op twee andere zinsdelen betrokken is terwijl de verbinding per zinsdeel verschilt.

Bron: www.slo.nl

Oefen dit lijstje als quiz →