Quizkennis.nl

taal · 19 begrippen

Nederlandse grammatica: 10 woordsoorten en 9 soorten voornaamwoorden – betekenissen en voorbeelden

Gecontroleerd en goedgekeurd door de redactie van QuizKennis.

🧠 Leren, stampen en quizzen →

Volledige leerlijst

#BegripBetekenisVoorbeeldzin
1Zelfstandig naamwoordBenoemt een persoon, dier, voorwerp, plaats, begrip of andere zaak.De kat slaapt op de bank. (kat)
2LidwoordStaat bij een zelfstandig naamwoord en geeft onder meer aan of het bepaald of onbepaald is: de, het of een.Een hond blaft in de tuin. (een)
3Bijvoeglijk naamwoordGeeft een eigenschap of kenmerk van een zelfstandig naamwoord aan.De oude fiets staat buiten. (oude)
4WerkwoordDrukt een handeling, gebeurtenis of toestand uit en kan meestal naar tijd of persoon worden vervoegd.Mijn zus fietst naar school. (fietst)
5VoornaamwoordVerwijst naar personen, zaken of begrippen zonder die steeds bij naam te noemen.Zij leest een boek. (zij)
6TelwoordGeeft een aantal, hoeveelheid of plaats in een volgorde aan.Er staan drie fietsen voor het huis. (drie)
7BijwoordGeeft nadere informatie bij een werkwoord, bijvoeglijk naamwoord, ander bijwoord of een hele zin.De trein rijdt langzaam. (langzaam)
8VoorzetselGeeft een relatie aan, bijvoorbeeld van plaats, tijd of richting; het staat vaak voor een naamwoordgroep.De sleutels liggen onder de tafel. (onder)
9VoegwoordVerbindt woorden, woordgroepen of zinnen met elkaar.Ik blijf thuis omdat het regent. (omdat)
10TussenwerpselDrukt bijvoorbeeld een gevoel, reactie, aansporing of begroeting uit en staat vaak op zichzelf.Au! Dat deed pijn. (Au)
11Persoonlijk voornaamwoordVerwijst naar de spreker, aangesprokene of een andere persoon of zaak, zoals ik, jij en haar.Ik help haar morgen. (ik, haar)
12Bezittelijk voornaamwoordGeeft aan bij wie iets hoort of van wie iets is, zoals mijn, jouw en onze.Mijn jas hangt aan de kapstok. (mijn)
13Aanwijzend voornaamwoordWijst iets of iemand aan, zoals deze, die, dit en dat.Deze fiets is van mij. (deze)
14Vragend voornaamwoordWordt gebruikt om naar iets of iemand te vragen, zoals wie, wat en welke.Wie heeft mijn pen gezien? (wie)
15Betrekkelijk voornaamwoordVerwijst terug naar een eerder genoemd woord of zinsdeel en leidt meestal een betrekkelijke bijzin in.De jongen die daar staat, is mijn broer. (die)
16Onbepaald voornaamwoordVerwijst niet naar een precies genoemde persoon of zaak, zoals iemand, iedereen en iets.Iedereen is welkom op het feest. (iedereen)
17Wederkerend voornaamwoordVerwijst terug naar het onderwerp bij een wederkerend werkwoord, zoals me, je en zich.Zij vergist zich. (zich)
18Wederkerig voornaamwoordDrukt een wederzijdse verhouding of handeling uit, zoals elkaar.De vrienden helpen elkaar. (elkaar)
19Uitroepend voornaamwoordWordt gebruikt in een uitroep om verwondering of nadruk uit te drukken, zoals wat in 'wat een'.Wat een prachtig uitzicht! (wat)

Bron: e-ans.ivdnt.org

Oefen dit lijstje als quiz →